Het Leefloon

Versie nr.: 01
Online sinds: 09-02-2007
Laatste wijziging: 22-09-2008
Printklare versie: TF_leefloon__Nl__6.pdf

  1. Gebruiksaanwijzing en afkortingen
  2. Context
  3. Wat is het leefloon?
  4. Wie kan aanspraak maken op het leefloon?
  5. Wanneer kent het OCMW een leefloon toe?
  6. Hoeveel bedraagt het leefloon momenteel?
  7. Welke zijn de 3 categorieën begunstigden?
    1. Schets van de recente wijzigingen
    2. De categorieën
  8. Wat is de situatie van de echtgenoot/levenspartner in het kader van de "categorie 3"?
    1. Aan welke voorwaarden moet de echtgenoot of levenspartner voldoen?
    2. Waarop kan de echtgenoot of de levenspartner aanspraak maken?
  9. Hoe worden de inkomsten van de betrokkene berekend?
  10. Hoe kan men rekening houden met de bestaansmiddelen van de personen met wie de steunaanvrager samenwoont?
  11. Welk OCMW is territoriaal bevoegd?
  12. Het aangesproken OCMW is territoriaal niet bevoegd: wat moet er gebeuren?
  13. Het aangesproken OCMW is territoriaal bevoegd: wat moet er gebeuren?
    1. Nagaan of de betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van het RMI
    2. Berekenen op welk bedrag de betrokkene aanspraak kan maken
    3. Een beslissing nemen en die bekendmaken
    4. Het leefloon uitbetalen
    5. Het leefloon terugvorderen bij de Staat
    6. Het dossier van de betrokkene geregeld herzien
  14. In welke gevallen moet de betaling van het leefloon opgeschort worden?
  15. Welke sancties kan de begunstigde van het RMI oplopen?
  16. In welke gevallen moet het leefloon teruggevorderd worden?
    1. Terugvorderen ten laste van de betrokkene
    2. Terugvorderen bij onderhoudsplichtigen
    3. Terugvorderen bij aansprakelijke derden
    4. Verzaken aan de terugvordering
  17. De subsidie van de federale overheid
    1. De basissubsidie
    2. Studenten die een GPMI "studies met voltijds leerplan" afgesloten hebben
    3. De leefloner die niet langer dakloos is
    4. De vreemdeling die ingeschreven is in het vreemdelingenregister
    5. De personeelskosten
    6. De weigering van de betaling van de subsidie
  18. Bijzonderheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  19. Veelgestelde vragen
  20. Wettelijke basis
  21. Voetnoten
  22. Andere nuttige fiches in verband met het onderwerp
  23. Andere nuttige links

1. Gebruiksaanwijzing en afkortingen

De Technische Fiches zijn bedoeld om de terreindeskundigen een praktische, duidelijke en geactualiseerde informatie te verschaffen over de verschillende vormen van steun en diensten aangeboden door de OCMW’s. Iedere fiche probeert exhaustief te zijn, maar in geval van twijfel is het aangeraden andere bronnen te raadplegen.

Alle Technische Fiches staan ter beschikking op de website www.ocmw-info-cpas.be.

Om de verschillende vormen van steun, die zijn opgenomen in de fiches, te kennen, kan u informatie opzoeken zowel via een inventaris als via een alfabetische trefwoordenlijst.

We vestigen de aandacht van de lezer er op dat het belangrijk is de datum van de laatste actualisering van de fiche na te gaan (zie datum onder de titel van de fiche).

Elke fiche hanteert in het algemeen dezelfde structuur. Na een beschrijving van de context, gaat de fiche verder met het geven van een antwoord op de vragen wat is het?, wie is er rechthebbende? en welk OCMW is er bevoegd?. Vervolgens worden de toepassingsmanieren behandeld, met name in het onderdeel wat moet het bevoegde OCMW doen om de steun toe te kennen? Voor elke vorm van steun wordt er ook een onderdeel besteed aan de staatssubsidie.

Naast iedere technische fiche die een bepaalde vorm van steun behandelt, bestaat er in principe ook een gebruiksvriendelijke fiche.

Deze gebruiksvriendelijke fiche geeft een antwoord op de concrete vragen van gebruikers en is opgesteld in de vorm van “Veelgestelde Vragen”.

We raden deskundigen dan ook aan van de gebruiksvriendelijke fiches te raadplegen. Deze behandelen immers dezelfde onderwerpen als de technische fiches, maar dan vanuit het standpunt van de steunaanvrager. Deze gebruiksvriendelijke fiches kunnen ook dienen als informatiedocument voor het grote publiek.

De informatie die hier wordt aangeboden is geen wettige basis om rechten te doen gelden. Daarvoor verwijzen we naar wetteksten en reglementen.

Afkortingen die in deze fiche worden gebruikt:

De ingekaderde tekst wil de aandacht vestigen op belangrijke bepalingen.

up

2. Context

De wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (RMI-wet) is op 1 oktober 2002 in werking getreden. Ze vervangt de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het bestaansminimum. (1)

Het model van sociale bescherming dat de wet op het bestaansminimum van 1974 invoerde, beperkte zich tot zuiver financiële bijstand. Door de ingrijpende economische en sociale veranderingen van de voorbije 25 jaar bleek dit model voorbijgestreefd. De waarborg op inkomsten leek immers niet langer voldoende om iets te doen aan de sociale uitsluiting, een multidimensioneel verschijnsel. Daarom werd de bestaansminimumwet in 2002 opgeheven en vervangen door de RMI-wet.

Hoewel de nieuwe wet de beschikkingen van de oude bestaansminimumwet gedeeltelijk overneemt, vertrouwt de RMI-wet de OCMW's een taak toe die verdergaat dan het toekennen van financiële bijstand. Door het "recht op maatschappelijke integratie" vast te leggen wil de RMI-wet een participatie van ieder in de samenleving waarborgen. Die maatschappelijke integratie, vastgelegd in de RMI-wet, kan op verschillende manieren nagestreefd worden.

Het doel is de integratie van de mensen zo veel mogelijk te bevorderen door tewerkstelling, omdat volgens de wetgever de toegang tot bezoldigd werk één van de beste manieren is om autonomie te verwerven. Zo kadert de RMI-wet zeer duidelijk in de filosofie van de "actieve sociale staat".

In dat nieuwe kader zijn de OCMW's niet meer alleen de laatste wal tegen de sociale uitsluiting, maar vormen ze als het ware een springplank naar maatschappelijke integratie. Voor sommigen vormt het een eerste werkervaring, voor anderen een mogelijkheid om een opleiding of studies met voltijds leerplan te volgen. Voor nog anderen wordt het een geïndividualiseerd sociaal traject, om de betrokkene de kans te bieden een plaats te vinden in de samenleving.

Bovendien is het aantal jongeren dat OCMW-bijstand geniet, de voorbije jaren blijven toenemen. In tien jaar tijd is deze groep meer dan verdrievoudigd. De wetgever heeft die trend willen omkeren door deze jongeren andere vooruitzichten te bieden. In 1993 had de wetgever in de bestaansminimumwet reeds de verplichting opgenomen om een contract voor maatschappelijke integratie af te sluiten met alle bestaansminimumtrekkers onder de 25 jaar. In 2002 werd in de nieuwe wet een recht op maatschappelijke integratie ingevoegd door middel van tewerkstelling, voor jongeren onder de 25 jaar. Het doel van de wetgever is de jongeren op die manier en telkens als dat mogelijk is de kans te bieden om een eerste werkervaring op te doen of een opleiding te volgen en geïndividualiseerde begeleiding om ze voor te bereiden op hun inschakeling op de arbeidsmarkt.

Via de RMI-wet werden nog andere nieuwigheden ingevoerd, zoals: de openstelling van het recht tot vreemdelingen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister; een individualisering van de rechten van de echtgenoten; de erkenning van een recht voor studenten met voltijds leerplan; een optrekking van de financiële toelage; een versterking van de rechten van de gebruikers gedurende de behandeling van hun aanvraag; de toekenning van bijkomende middelen ten gunste van de OCMW's om hun nieuwe taken te kunnen uitvoeren,…

Concreet kan het recht op maatschappelijke integratie drie vormen aannemen: een leefloon, tewerkstelling en een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI).

Het leefloon vervangt het vroegere bestaansminimum. Het is één van de vormen die het RMI kan aannemen.

Sinds de inwerkingtreding van de RMI-wet hebben bepaalde beschikkingen aangaande het leefloon reeds ingrijpende wijzigingen ondergaan. Zo werden de categorieën begunstigden meermaals gewijzigd: een eerste keer door de programmawet van 9 juli 2004, naar aanleiding van een arrest van het Arbitragehof van 14 januari 2004 en een tweede keer door een arrest van het Arbitragehof van 28 juli 2006. De bedragen van het leefloon werden overigens ook opgetrokken.

Deze fiche is uitsluitend gewijd aan het leefloon, maar moet parallel gelezen worden met 3 andere fiches: de fiches aangaande het RMI, die aangaande het GPMI en die betreffende de gesubsidieerde tewerkstelling.

up

3. Wat is het leefloon?

Het recht op maatschappelijke integratie kan 3 vormen aannemen: een leefloon, tewerkstelling en een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI). Deze 3 vormen, al dan niet gecombineerd, worden door de OCMW's gebruikt als middel om het recht op maatschappelijke integratie te waarborgen voor personen die beantwoorden aan de voorwaarden de in de wet vastgelegd zijn.

Het leefloon is dus een van de vormen van het RMI. Het vervangt het gewezen bestaansminimum. Net zoals het bestaansminimum is het leefloon een zuiver financiële bijstand.

Het leefloon kan gekoppeld worden aan een GPMI. Het kan in bepaalde gevallen ook toegekend worden in de vorm van een aanvulling op inkomsten uit werk of een uitkering. Als de situatie van de persoon in kwestie dat vereist, kan het ook aangevuld worden door de toekenning van een of meer vormen van maatschappelijke dienstverlening (bijstand voor de samenstelling van een huurwaarborg, verwarmingstoelage, medische hulp, …).

up

4. Wie kan aanspraak maken op het leefloon?

Om aanspraak te kunnen maken op het leefloon, moet de aanvrager voldoen aan de toekenningsvoorwaarden. Het leefloon is immers een specifieke vorm van RMI, de voorwaarden waaraan men moet voldoen, zijn dus die van het RMI.

Er zijn 6 voorwaarden, deze zijn algemeen, cumulatief en verplicht: nationaliteit, woonplaats, leeftijd, staat van behoeftigheid, de werkbereidheid en uitputting van het recht op andere sociale uitkeringen.

In bepaalde gevallen kunnen daar nog specifieke voorwaarden bijkomen: zijn rechten op onderhoudsgelden doen gelden en/of een contract afsluiten en naleven voor een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. Alle voorwaarden worden toegelicht in de fiche "RMI".

Zodra de betrokkene voldoet aan de voorwaarden die vastgelegd zijn in de RMI-wet, zal het bedrag van het leefloon waarop hij aanspraak kan maken, enerzijds afhangen van de categorie waartoe hij behoort (zie "Welke zijn de 3 categorieën begunstigden") en anderzijds van de berekening van zijn bestaansmiddelen (zie "Hoe worden de inkomsten van de betrokkene berekend?").

up

5. Wanneer kent het OCMW een leefloon toe?

De persoon die recht heeft op het RMI, zal dit recht genieten in de vorm van een leefloon in verschillende gevallen.

Zo bepaalt artikel 10 van de RMI-wet: "In afwachting van een tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie of ook wanneer de persoon wegens gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan werken, heeft hij overeenkomstig de bij deze wet gestelde voorwaarden, recht op een leefloon. Wanneer de inkomsten uit de tewerkstelling lager zijn dan het bedrag van het leefloon waarop de betrokkene aanspraak kan maken, blijft het recht op een leefloon onder de bij de wet gestelde voorwaarden behouden."

Er moet dus een onderscheid gemaakt worden tussen de volgende hypothesen:

de persoon wacht op een arbeidsovereenkomst

Zo zal een persoon die jonger is dan 25 jaar en een RMI via tewerkstelling vraagt, recht hebben op een leefloon vanaf de indiening van zijn aanvraag tot zijn effectieve aanwerving.

de persoon kan niet werken om gezondheids- of billijkheidsredenen

In dat geval heeft de persoon ook recht op een leefloon, al dan niet samen met een GPMI.

de persoon heeft een GPMI afgesloten

De persoon die een GPMI uitvoert, heeft in dit kader recht op een leefloon.

de persoon werkt

In bepaalde gevallen kan vormt het leefloon een aanvulling op inkomsten uit werk. Dat zal het geval zijn wanneer de persoon werkt en een bezoldiging ontvangt die lager is dan het leefloon waarop hij aanspraak kan maken. De betrokkene zal dan recht hebben op een aanvullend leefloon. Dat is ook het geval wanneer een deel van de inkomsten uit werk vrijgesteld worden.

up

6. Hoeveel bedraagt het leefloon momenteel?

 

Er bestaan verschillende categorieën begunstigden naar gelang van de gezinssituatie. Met iedere categorie komt een bepaald bedrag overeen.

Categorieën
sinds 1 september 2006

Bedragen per jaar en per maand
op 1 september 2008

Categorie 1
Samenwonende

5.692,45 € / jaar
474,37 € / maand

Categorie 2
Alleenstaande

8.538,68 € / jaar
711,56 € / maand

Categorie 3
Persoon met gezinslast

11.384,91 € / jaar
948,74 € / maand


In verband met de toepassing van de verschillende categorieën, zie hierna « Welke zijn de 3 categorieën begunstigden? »

De mensen hebben niet altijd recht op het totale bedrag van de categorie waartoe ze behoren. De berekening van de bestaansmiddelen van de bijstandaanvrager, alsook het eventueel in aanmerking nemen van de bestaansmiddelen van de personen met wie deze samenwoont, zullen in bepaalde gevallen leiden tot de betaling van een gedeeltelijk bedrag.

up

7. Welke zijn de 3 categorieën begunstigden?

a) Schets van de recente wijzigingen

Aanvankelijk had artikel 14 van de RMI-wet 4 categorieën begunstigden vastgelegd. Door een arrest van het Arbitragehof van 14 januari 2004 werden de bij de RMI-wet voorziene categorieën echter gewijzigd. (2) Het aantal categorieën RMI-begunstigden werd vanaf 1 januari 2005 van 4 naar 3 teruggeschroefd en de categorieën "eenoudergezin" en "alleenstaande die recht heeft op een verhoogd bedrag" werden afgeschaft.

In juli 2006 heeft het Arbitragehof een nieuw arrest uitgevaardigd dat de definitie van de categorie 3 "persoon met gezin ten laste" wijzigde.

Het woord "uitsluitend" werd geschrapt uit artikel 14, § 1, 3° van de RMI-wet. Het Hof was van oordeel dat de wetgever artikel 10 en 11 van de Grondwet geschonden had door de RMI-begunstigde te verplichten "uitsluitend" met zijn gezin ten laste te leven (in de zin vastgelegd in de RMI-wet) om tot de derde categorie te kunnen behoren.

Het exclusieve van dat samenwonen had immers tot gevolg dat de personen die één of meer minderjarige kinderen ten laste hebben en die samenwonen met andere personen dan die welke onder de definitie van gezin ten laste vallen, niet meer onder categorie 3 vallen.

De ministeriële omzendbrief van 1 september 2006 bepaalt dat artikel 14, § 1, 3° van de RMI-wet gelezen moet worden zonder het woord "uitsluitend". De derde categorie leefloners wordt derhalve omschreven als de "persoon die met een gezin ten laste" leeft.

De personen die één of meer ongehuwde minderjarige kinderen ten laste hebben en die samenwonen met andere personen dan die welke in de categorie gezin ten laste vallen, worden dus niet langer uit de derde categorie uitgesloten.

Er is een nieuwe wijziging doorgevoerd in 2007. ten gevolge van de inwerkingtreding op 30 maart 2007 van de wet van 26 oktober 2006 tot wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, tot aanmoediging van de inspanning die een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn levert voor de integratie van daklozen, hebben dakloze personen die genieten van een leefloon en voor wie een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie werd bepaald, voortaan recht op een bedrag "alleenstaande persoon" (wet van 26 oktober 2006 tot wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, tot aanmoediging van de inspanning die een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn levert voor de integratie van daklozen (B.S. 30.03.2007, inforum n° 218014))

b) De categorieën

Sinds 1 september 2006 zien de categorieën die vastgelegd zijn in artikel 14, § 1 van de RMI-wet er als volgt uit:

Categorie 1: Samenwonende

Deze categorie bestond reeds in de bestaansminimumwet maar de RMI-wet definieert wat men dient te verstaan onder samenwonen, nl. het feit dat mensen onder eenzelfde dak wonen en hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. (3)

De aard van de relatie tussen de betrokken personen heeft geen enkele invloed op de bepaling van de categorie "samenwonende". Het speelt daarentegen wel mee wanneer het erom gaat te weten of het OCMW volgens artikel 34 van het KB RMI kan, mag of niet mag rekening houden met de bestaansmiddelen van de persoon met wie de bijstandsaanvrager samenwoont.

Zo heeft de persoon die onder hetzelfde dak woont met één of meer personen en met die persoon of personen de huishoudelijke aangelegenheden helemaal of toch hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelt, ongeacht een affectieve of andere link tussen de betrokkenen, recht op een leefloon van de categorie "samenwonende".

Categorie 2: Alleenstaande

Deze categorie bestond reeds in de wet op het bestaansminimum en blijft onveranderd.

Nochtans, sinds de inwerkingtreding op 30 maart 2007 van de wet van 26 oktober 2006 tot wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het RMI, tot aanmoediging van de inspanning die een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn levert voor de integratie van daklozen, bepaalt het artikel 14, §1, 2° van de wet DIS nu dat een dakloze persoon die geniet van een leefloon en voor wie een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie werd afgesloten, eveneens recht heeft op het bedrag van de categorie "alleenstaande persoon".

Volgens de omzendbrief van 7 mei 2007, moet het gaan over een "dakloze" persoon waarmee daadwerkelijk een GPMI werd afgesloten, zonder onderscheid of die persoon ouder of jonger is dan 25 jaar. de exacte inhoud van het project werd niet vastgelegd in de omzendbrief.

In de veronderstelling dat de dakloze persoon daadwerkelijk dakloos is, heeft zij vanzelfsprekend recht op het bedrag "alleenstaande", zelfs indien deze niet geniet van een GPMI (zie de omzendbrief van 7 mei 2007 betreffende de wet van 26.10.2006 tot wijziging van de wet RMI, tot aanmoediging van de inspanning die een OCMW levert voor de integratie van daklozen (inforum n° 219205)

Categorie 3: Persoon met gezin ten laste

Deze categorie was aanvankelijk niet voorzien in de RMI-wet. Ze werd ingevoerd door de programmawet van 9 juli 2004, die de categorieën gewijzigd heeft ingevolge het arrest van het Arbitragehof van 14 januari 2004. (4)

Deze categorie beoogt de persoon die een gezin ten laste heeft, op voorwaarde dat er minstens één ongehuwde minderjarige bij is.

Aanvankelijk was enkel de persoon beoogd die uitsluitend met een gezin ten laste leeft. Vervolgens werd het woord "uitsluitend" uit artikel 14, § 1, 3° van de RMI-wet geschrapt overeenkomstig het arrest van het Arbitragehof van 28 juli 2006. (5)

Er moet dus aan twee elementen voldaan zijn:

a) Gezin ten laste

Om onder deze categorie te vallen moet de aanvrager een gezin ten laste hebben.

De RMI-wet verstaat onder "gezin ten laste":

b) Minstens één ongehuwd minderjarig kind

Minstens één ongehuwd minderjarig kind (niet noodzakelijk het kind van de aanvrager) moet deel uitmaken van de personen die ten laste zijn.

Maakt geen deel uit van categorie 3: een koppel (al dan niet gehuwd) dat geen kinderen heeft. Ieder van de echtgenoten (of levenspartner) kan daarentegen een leefloon van de categorie samenwonende genieten.

Sinds 1 september 2006 moet de aanvrager niet meer "uitsluitend" met zijn gezin ten laste leven. Zo kan een persoon die twee minderjarige kinderen heeft en samenwoont met zijn moeder, broer, zus, grootmoeder of een vriend, tot categorie 3 behoren. De berekening van de bestaansmiddelen, en in het bijzonder het eventueel in aanmerking nemen van de inkomsten van die samenwonenden, zal meespelen om het exacte bedrag te bepalen waarop de betrokkene recht heeft.

up

8. Wat is de situatie van de echtgenoot/levenspartner in het kader van de "categorie 3"?

Artikel 14, § 1, 3° van de RMI-wet bepaalt dat het leefloon 11.384,91 euro per jaar bedraagt (zijnde 948,74 euro per maand) voor een persoon met gezinslast en dit dekt ook het recht van de eventuele echtgenoot of levenspartner.

Het bedrag van het leefloon voor categorie 3 vormt immers het equivalent van 2 leeflonen aan het tarief samenwonende. Zodra de RMI-begunstigde tot categorie 3 behoort, kan zijn echtgenoot of levenspartner dus, als die over onvoldoende eigen bestaansmiddelen beschikt, geen aanspraak meer maken op het leefloon aan het tarief samenwonende. Beide dossiers zullen samengesmolten worden tot één dossier op naam van één van beide personen. Het KB RMI werd overigens aangepast, ondermeer om de voorwaarden vast te leggen waaraan de echtgenoot of levenspartner moet voldoen. (6)

a) Aan welke voorwaarden moet de echtgenoot of levenspartner voldoen?

Volgens artikel 2bis van het KB RMI moet de persoon om aanspraak te kunnen maken op het leefloon als echtgenoot of levenspartner "ten laste", voldoen aan bijna alle bij de RMI-wet voorziene voorwaarden.

Verblijfplaats

In principe moet de echtgenoot of levenspartner in België verblijven, zoals bepaald in de RMI-wet. De echtgenoot of levenspartner die hier illegaal verblijft, voldoet niet aan deze voorwaarde.

De POD MI vindt echter dat wanneer de echtgenoot of levenspartner van de aanvrager hier illegaal verblijft en de aanvrager van het leefloon minstens één minderjarig kind ten laste heeft, de aanwezigheid van het kind volstaat om de begunstigde bij de derde categorie "met gezinslast" onder te brengen. Die zienswijze wordt door de Arbeidsrechtbank van Brussel bevestigd in vier vonnissen (7) met betrekking tot een aanvrager die een kind ten laste heeft en samenwoont met een illegale. De Arbeidsrechtbank is van oordeel dat samenwonen met een illegale niet tot gevolg kan hebben dat de persoon in kwestie buiten de categorie "met gezinslast" valt, categorie waarop de betrokkene recht heeft omwille van de aanwezigheid van een kind ten laste in zijn gezin.(8)

Als de echtgenoot of levenspartner niet voldoet aan de voorwaarde inzake verblijfplaats omdat die persoon hier illegaal verblijft, dan krijgt de bijstandsaanvrager het volledige bedrag van het leefloon "categorie 3" en wordt de echtgenoot of levenspartner niet beschouwd als rechthebbende op het leefloon.

Leeftijd

De echtgenoot of levenspartner moet beantwoorden aan de leeftijdsvoorwaarde die vastgelegd is in artikel 3, 2° van de RMI-wet.

Nationaliteit

De echtgenoot of levenspartner moet niet noodzakelijk voldoen aan de voorwaarde inzake nationaliteit. Dat betekent dat de echtgenoot of levenspartner die een vreemde nationaliteit heeft en vroeger equivalente sociale bijstand genoot omdat hij niet voldeed aan de nationaliteitsvoorwaarde voorzien bij artikel 3, 3° van de RMI-wet, in aanmerking komt en dat het koppel een leefloon "categorie 3" kan genieten zodra de aanvrager minstens één ongehuwd minderjarig kind ten laste heeft en zelf voldoet aan de nationaliteitsvoorwaarde en beiden voldoen aan de andere toekenningsvoorwaarden (verblijfplaats, leeftijd, gebrek aan voldoende middelen, …).

Bestaansmiddelen

De echtgenoot of levenspartner moet voldoen aan de voorwaarde van "gebrek aan voldoende bestaansmiddelen". Het OCMW moet de bestaansmiddelen van de echtgenoot/levenspartner berekenen net zoals het de bestaansmiddelen van de bijstandsaanvrager berekent, d.w.z. volgens de bepalingen van titel II, hoofdstuk II, van de RMI-wet. Eind 2004 werden er verscheidene wijzigingen aangebracht om de berekening van de bestaansmiddelen aan te passen aan de nieuwe categorieën die van toepassing zijn sinds 1 januari 2005. (9)

Bereidheid om te werken

Als de echtgenoot of levenspartner geen bestaansmiddelen heeft of als zijn inkomen lager is dan het bedrag van het leefloon voor categorie 1 (tarief samenwonende) en enkel in dat geval, dient hij te voldoen aan de voorwaarde van de werkbereidheid.

Uitputting van de sociale rechten

Net zoals de bijstandsaanvrager is zijn echtgenoot of levenspartner verplicht om zijn rechten te doen gelden op uitkeringen die hij kan genieten krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving.

Als de echtgenoot of levenspartner niet aan deze voorwaarden voldoet, ontvangt de bijstandsaanvrager die één of meer kinderen ten laste heeft, het volledige bedrag van het leefloon "categorie 3" en wordt de echtgenoot of levenspartner niet beschouwd als rechthebbend op het leefloon.

b) Waarop kan de echtgenoot of de levenspartner aanspraak maken?

Dit alles is niet van toepassing wanneer de echtgenoot of levenspartner niet voldoet aan de voorwaarden vastgelegd in artikel 3, 1°, 2°; 4°, 5° en 6° van de RMI-wet, d.w.z. de voorwaarden inzake verblijfplaats, meerderjarigheid, gebrek aan voldoende bestaansmiddelen, werkbereidheid en het feit dat hij geen recht heeft op andere uitkeringen krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving.

up

9. Hoe worden de inkomsten van de betrokkene berekend?

Om recht te hebben op het leefloon moet de aanvrager met een tekort aan voldoende inkomsten kampen en mag hij niet in staat zijn om zich die te verschaffen, hetzij door persoonlijke inspanningen, hetzij door andere middelen. In principe dienen de volgende inkomsten in aanmerking genomen te worden:

Om na te gaan of een persoon effectief met een tekort aan bestaansmiddelen kampt, berekent het OCMW zijn bestaansmiddelen.

Die berekening gebeurt overeenkomstig artikel 22 tot 35 van het KB RMI. De algemene omzendbrief van 6 september 2002 betreffende de RMI-wet preciseert alle regels die toegepast moeten worden. Wij geven hier enkele basisregels weer.

1°) De berekening gebeurt op het moment van de aanvraag en op jaarbasis (projectie op jaarbasis). Het gaat om netto-inkomsten (in handen), waarover de aanvrager effectief beschikt.

2°) Het algemene principe is dat alle bestaansmiddelen (beroepsinkomen, inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten uit roerend kapitaal, sociale uitkeringen uit België of een ander land, …) in aanmerking genomen worden, behalve wat de Koning uitdrukkelijk vrijgesteld heeft.

3°) In het KB RMI wordt gepreciseerd hoe het OCMW moet rekening houden met de bestaansmiddelen: volledig, gedeeltelijk of helemaal niet. Zo zijn bepaalde bestaansmiddelen vrijgesteld en mogen andere slechts gedeeltelijk in aanmerking genomen worden, volgens een welbepaalde berekening.

4°) De bestaansmiddelen van de personen met wie de aanvrager samenwoont, kunnen door het OCMW in aanmerking genomen worden binnen de door de Koning vastgelegde grenzen. Artikel 34 van het KB RMI legt verschillende mogelijkheden vast: de gevallen waarin het OCMW rekening moet houden met de bestaansmiddelen van de personen met wie de bijstandsaanvrager samenwoont, de gevallen waarin het OCMW er rekening mee kan houden en de gevallen waarin het OCMW er geen rekening mee mag houden. Men moet zich steeds in de plaats van de aanvrager stellen om de toestand van de personen die met hem samenleven, te beoordelen. (Zie hierna « Hoe kan men rekening houden met de bestaansmiddelen van de personen met wie de steunaanvrager samenwoont? »)

up

10. Hoe kan men rekening houden met de bestaansmiddelen van de personen met wie de steunaanvrager samenwoont?

Artikel 34 van het KB RMI voorziet in verschillende mogelijkheden:

Men moet zich steeds in de plaats van de aanvrager stellen om de toestand van de personen die met hem samenleven, te beoordelen.

a) Samenwonen met de echtgenoot/levenspartner

Het OCMW moet rekening houden met de bestaansmiddelen van de samenwonende wanneer het gaat om een gehuwd koppel dat onder hetzelfde dak woont, of een feitelijk gezin. (10)

Als de echtgenoot of levenspartner van de bijstandsaanvrager geen leefloon aanvraagt, zal het OCMW de bestaansmiddelen van deze persoon in aanmerking nemen die het bedrag "samenwonende" van het leefloon overschrijden (zijnde 5.692,45 euro per jaar op 1 september 2008).

Voorbeeld: De bijstandsaanvrager woont samen met een persoon die een maandelijks pensioen van 851,87 euro krijgt en dus niet de toepassing van de wet vraagt. Bij de berekening van de bestaansmiddelen moet er rekening gehouden worden met de bestaansmiddelen van de aanvrager voor 377,50 euro per maand, zijnde het bedrag van het pensioen dat het leefloon voor de categorie samenwonende overschrijdt ((851,87 x 12) – 5.692,45 (leefloon samenwonende) = 4.529,99 x 1/12 = 377,50 € per maand).

Wanneer de aanvrager behoort tot categorie 3 "gezinslast", wordt er rekening gehouden met alle bestaansmiddelen van de echtgenoot of levenspartner. Het KB RMI bepaalt uitdrukkelijk dat ze overeenkomstig de wet berekend moeten worden, d.w.z. met toepassing van alle regels die vastgelegd zijn in titel II, hoofdstuk II van de RMI-wet, zoals voor de bijstandsaanvrager. (11)

Voorbeeld: De steunaanvrager leeft samen met zijn minderjarig kind en zijn partner. De partner beschikt over inkomsten uit werk (5.000 € per jaar). In de berekening van de bestaansmiddelen van de bijstandsaanvrager moet als volgt rekening gehouden worden met deze inkomsten: 11.384,91 € (zijnde het leefloon voor een persoon met gezinslast op jaarbasis) – (5.000 € – 310 € forfaitaire vrijstelling voorzien bij artikel 22, § 2, van het KB RMI).

b) Samenwonen met de ascendent en/of afstammeling van de 1ste graad

Het OCMW kan volledig of gedeeltelijk rekening houden met de bestaansmiddelen die hoger dan het bedrag van het leefloon voor een samenwonende liggen indien de betrokkene samenwoont met één of meer meerderjarige ascendenten en/of afstammelingen van de eerste graad. Het gaat dus om het samenwonen van de bijstandsaanvrager met zijn vader of zijn moeder (ascendenten van de eerste graad) en/of met zijn meerderjarige kinderen.

Op basis van het sociaal onderzoek zal het OCMW voor ieder geval afzonderlijk beoordelen of het opportuun is de bestaansmiddelen in aanmerking te nemen en in welke mate. Het OCMW kan beslissen rekening te houden met alle bestaansmiddelen die het tarief voor samenwonende overstijgen, hetzij slechts een deel van de bestaansmiddelen, hetzij tot slot geen rekening te houden met de bestaansmiddelen. Volgens de algemene omzendbrief van 6 september 2002 moet het OCMW de billijkheidsredenen opgeven die ertoe leiden dat er geen rekening gehouden wordt met deze bestaansmiddelen of slechts voor de helft of een ander percentage. Het moet ook de berekeningswijze vermelden die het toepast.

Kunnen als billijkheidsreden opgegeven worden: de schulden van het gezin, hoge medische kosten, de aanwezigheid in het gezin van andere personen die minderjarig zijn of geen inkomsten hebben, verhuiskosten, …

c) Andere gevallen van samenwonen

In de andere gevallen van samenwonen met personen die geen toepassing van de wet vragen, mogen de bestaansmiddelen van deze personen onder geen enkel voorwendsel in aanmerking genomen worden.

Zo mag er in geen enkel geval rekening gehouden worden met de bestaansmiddelen van ascendenten en descendenten van de tweede graad (grootouders en kleinkinderen), noch van zussen en broers of verwanten. Indien de bijstandsaanvrager samenwoont met zijn zus en moeder, kan het OCMW dus rekening houden met de inkomsten van de moeder maar niet met die van de zus.

up

11. Welk OCMW is territoriaal bevoegd?

Het OCMW dat bevoegd is om het leefloon toe te kennen, is het OCMW dat bevoegd is om het RMI toe te kennen.

De territoriale bevoegdheidsregels die terzake van toepassing zijn, worden toegelicht in de fiche « RMI ».

up

12. Het aangesproken OCMW is territoriaal niet bevoegd: wat moet er gebeuren?

Het leefloon is een vorm van RMI. De regels die van toepassing zijn inzake RMI indien het OCMW territoriaal niet bevoegd is, zijn dus van toepassing (zie fiche « RMI »).

up

13. Het aangesproken OCMW is territoriaal bevoegd: wat moet er gebeuren?

Wanneer iemand bij een OCMW het RMI aanvraagt en het OCMW nagegaan heeft of het territoriaal bevoegd is, moet het OCMW rekening houden met de volgende punten:

a) Nagaan of de betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van het RMI

Het OCMW gaat na of de betrokkene aan alle voorwaarden beantwoordt (zie hierboven « Wie kan aanspraak maken op het leefloon? »). Voor de controle van bepaalde elementen in de voorwaarden beschikken de OCMW's over een beoordelingsmarge. Zodra de betrokkene aan alle toekenningsvoorwaarden voldoet, kan hij het RMI genieten.

Bij de indiening van een aanvraag moet het OCMW steeds eerst nagaan of de betrokkene aanspraak kan maken op het RMI. Pas daarna zal het OCMW de rechten van de betrokkene in het kader van de maatschappelijke dienstverlening bestuderen.

De tweede fase is de vorm van het RMI te bepalen.

Wanneer het RMI de vorm van een leefloon aanneemt, moet het OCMW rekening houden met verschillende elementen die hierna gepreciseerd worden.

b) Berekenen op welk bedrag de betrokkene aanspraak kan maken

Het OCMW moet nagaan tot welke categorie de begunstigde behoort en zijn bestaansmiddelen berekenen volgens artikel 22 tot 35 van het KB RMI, in voorkomend geval rekening houdend met de bestaansmiddelen van personen met wie de bijstandsaanvrager samenwoont. Zo bepaalt het OCMW het maandbedrag waarop de betrokkene recht heeft.

c) Een beslissing nemen en die bekendmaken (12)

Het OCMW neemt zo spoedig mogelijk een beslissing aangaande de toekenning van het RMI, uiterlijk binnen de 30 dagen na de ontvangst van de aanvraag.

De beslissing moet binnen de 8 dagen bekendgemaakt worden, bij aangetekend schrijven of tegen ontvangstbewijs. De datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs dienen als bewijs.

Voor alle details aangaande de procedure: zie fiche « procedure RMI ».

d) Het leefloon uitbetalen

Volgens artikel 23 van de RMI-wet wordt de eerste betaling van het leefloon binnen de 15 dagen na de beslissing uitgevoerd. Als er voorschotten toegekend werden, wordt dat bedrag afgetrokken van de bedragen voor de overeenkomstige periode.

De andere betalingen gebeuren per week, 14 dagen of per maand, naar keuze van het OCMW en zoals gepreciseerd in de beslissing die aan de betrokkene meegedeeld werd.

Volgens artikel 36 van het KB RMI gebeurt de betaling van het leefloon op een vaste datum of dag, hetzij bij postassignatie waarvan het bedrag thuis betaalbaar is, in handen van de begunstigde, hetzij via circulaire cheque, hetzij via overschrijving. Rekening houdend met het belang van de begunstigde kan het OCMW als het daarvoor de reden opgeeft in de beslissing, echter rechtstreeks aan de betrokkene betalen.

Wanneer de begunstigde recht heeft op een leefloon categorie 3 "gezinslast" en samenwoont met een echtgenoot of levenspartner ten laste, wordt het bedrag van het leefloon voor de helft aan de begunstigde uitbetaald en voor de andere helft aan de echtgenoot of levenspartner. Om billijkheidsredenen kan er een andere verdeling toegepast worden.

In geval van achterstand in betaling is er op het leefloon intrest verschuldigd vanaf de datum van de opeisbaarheid, nl. de zestiende dag volgend op de beslissing. Als de beslissing genomen wordt met een vertraging die aan het centrum toegeschreven kan worden, is de intrest verschuldigd vanaf de 46e dag na de indiening van de aanvraag.

In geval van overlijden van de begunstigde van het leefloon worden de achterstallige bedragen uitbetaald aan de personen vermeld in artikel 40 van het KB RMI.

e) Het leefloon terugvorderen bij de Staat

De OCMW's zijn verplicht om hun beslissingen van toekenning, weigering of herziening van het leefloon mee te delen aan de minister, binnen de termijn vastgelegd in artikel 21, § 6, 1e lid, van de RMI-wet, nl. acht dagen volgend op het einde van de maand waarin de beslissing genomen werd.

Als het OCMW die termijn niet naleeft, verliest het recht om een deel van de uitgaven terug te vorderen voor de beslissingen die sinds 1 oktober 2006 genomen werden. Het gaat om de uitgaven die verband houden met de periode tussen de 45ste dag volgend op het einde van de maand waarin de beslissing genomen werd en de dag van de bekendmaking van de beslissing. (13)

f) Het dossier van de betrokkene geregeld herzien

Met het oog op een eventuele herziening moet de betrokkene onmiddellijk aangifte doen van ieder nieuw element dat een weerslag kan hebben op het bedrag dat hem toegekend werd of op zijn situatie van rechthebbende.

Daarnaast moet het OCMW ook regelmatig en minstens eenmaal per jaar nagaan of de toekenningsvoorwaarden nog steeds vervuld zijn. (14)

up

14. In welke gevallen moet de betaling van het leefloon geschorst worden?

Volgens artikel 38 § 2 van het KB RMI wordt de betaling (15) van het leefloon geschorst als de gerechtigde langer dan een maand in het buitenland verblijft, tenzij het OCMW anders beslist wegens uitzonderlijke omstandigheden die dit verblijf wettigen.

Volgens artikel 39 van het KB RMI wordt de betaling van het leefloon opgeschort tijdens de periode waarin een persoon wordt geplaatst, ten laste van de overheid, in een instelling van om het even welke aard, in uitvoering van een gerechtelijke beslissing en tijdens de periode waarin een persoon een vrijheidsstraf ondergaat en ingeschreven blijft op de rol van een strafinrichting.

De betaling van het leefloon wordt voor de toekomst hersteld aan het einde van de uitvoering van de gerechtelijke beslissing alsook ingeval van voorlopige of voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De gerechtigde mag evenwel aanspraak maken op het leefloon dat betrekking heeft op de periode van zijn voorlopige hechtenis, op voorwaarde dat hij van het misdrijf dat tot die hechtenis aanleiding heeft gegeven, bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing werd vrijgesproken en dat hij geen aanspraak kan maken op een schadeloosstelling door de minister van Justitie. Hetzelfde geldt voor de gevallen van buitenvervolgingstelling of van buitenzaakstelling.

De betaling van het leefloon kan ook opgeschort worden in geval van toepassing van een sanctie. (Zie hierna « Welke sancties kan de begunstigde van het RMI oplopen? »)

up

15. Welke sancties kan de begunstigde van het RMI oplopen?

De RMI-wet voorziet in verschillende hypotheses waarin een sanctie opgelegd kan worden. De sanctie bestaat hetzij in een schorsing van de betaling van het leefloon, hetzij in de toepassing van strafrechtelijke sancties.